NIEUWS UIT DE RESIDENTIE

De beteekenis van het Leven en het Droomleven

Lezing van prof. Alfred Adler

Al trachtte het weer onze voorspelling te logenstraffen, het is daar slechts in zoover in geslaagd, dat Diligentia net de schare, die naar prof. Adler kwam hooren, kon bevatten. De spreker werd met levendig applaus begroet.

Prof. Adler begon met iets over het droomleven te zeggen, omdat dit een zeer groote rol in het menschelijk leven speelt. Geen psychologie heeft waarde, die zich niet met het droomleven als kenbron voor het zieleleven bemoeit. Het volk heeft altijd in den droom groot belang gesteld. Het schrijft aan den droom een profetische kracht toe. Men heeft daarom gelachen — voor een deel terecht — maar nog voor een grooter deel ten onrechte, want het is zoo heel natuurlijk, dat de droom wat onthult over de toekomst, waarmee de mensch zich steeds bezig houdt en zooals hij zich die wenscht. Spr. herinnert aan Goethes gedicht Hochzeitslied. Profetische waarde heeft natuurlijk de droom slechts onder zeer veel voorbehoud, in zoover de mensch handelt naar in den droom verkregen oplossings-methoden.

De droom is een variant van het wakend denken en het waakleven. De dichters, droomers van professie, hebben zich altijd gaarne met den droom bezig gehouden en vaak het leven met een droom vergeleken.

Hoe komt het, dat de menschheid altijd gedroomd heeft en de mensch nog altijd droomt?

Het is waarschijnlijk de wezenlijke bedoeling van den droom niet begrepen te worden. Welke bedoeling van den mensch zit daar achter? Bestaat in wakenden toestand bij den mensch niet de begeerte zich iets voor te spiegelen? De droom is het terrein waarop hij dit 't beste kan doen. In den droom durft de mensch veel meer zich te laten gaan, dan in wakenden toestand, zijn gevoel heeft den vrijen teugel en geen nuchter verstand brengt correctie aan.

Volgens de Indiv. Psychologie kan niemand anders worden dan zijn bestemming is. Niemand kan tegen zijn levensnorm handelen. In den droom tracht de mensch die belemmering te overschrijden. De droom dient hem, om sneller en gemakkelijker den gewenschten levensstijl te bereiken. Een middel daartoe is het beeld, de gelijkenis, de vergelijking.

Als typisch voorbeeld haalde spr. een passage uit Homerus aan. De dichter-droomer ziet het door de woestijn optrekkende Grieksche leger als één troep leeuwen, terwijl in de werkelijkheid die troepen hijgende en zweetende waren, verbeten over de moeilijkheden van een tocht, welke door een woestijn gaat.

In den droom bedriegt de mensch zich dus over zijn waren toestand, maar de oplossingen welke hij zich verbeeldt, liggen in de richting van zijn karakter. De droom is een intoxicatie, een narcose, een vlucht van het probleem, hetgeen spr. weer met een treffend voorbeeld uit eigen droomervaring toelichtte.

Na deze inleiding over den droom en zijn beteekenis, wel niet voorspellend maar wel inlichtend inzake levensstijl en karakter, kwam spr. tot de beteekenis van het leven. Velen meenen, dat het geen doel heeft. Schopenhauer zag het enkel in het „medelijden." Nietzsche wist geen andere oplossing dan eeuwigen wederkeer. Kant ried zoo te leven, dat onze handeling maxime wordt voor het leven van anderen.

Voor hij zelf een antwoord gaf, deed spr. een bij-vraag: Wat vindt de mensch als hij in het leven treedt? Hij vindt daar generaties, menschen, wetten, werken, kortom wat het voorgeslacht schiep. Er zijn dus menschen, die iets voortbrengen en ook die niets voortbrengen. De geest van hen, die wèl iets bijdroegen, wandelt onder ons. De middelen, waarmee de mensch iets kan bijdragen, zijn: coöperatievermogen, aanpassings- en aansluitingsvermogen. Dit blijkt uit de manier, waarop wij kijken, handelen, spreken. Het oog van den idioot en den waanzinnige, dikwijls ook van den misdadiger, is leeg, zijn taal verward, zijn verstand gekrenkt, zijn aesthetisch gevoel afwijkend. Hier wees spr. op den typischen samenhang tusschen aesthetica en medisch inzicht. In de oudheid was de athleet schoon, de gevulde mensch aantrekkelijk; thans zijn wij in de periode van de slanke lijn (hilariteit). Wij wenschen in het algemeen de dingen te zien sub specie aeternitatis (in eeuwigheidslicht) en vandaar dat wij streven naar een common sense, en wat daarin afwijkt, betitelen wij met zonde, kwaad, onverstand, misdaad, waanzin, enz.

Daarna weer tot zijn hoofdvraag: Wat is de beteekenis van het leven? terugkeerend, wees spr. op drie hoofdproblemen: de ik-gij-verhouding, den arbeid en de liefde, welke niet op te lossen zijn zonder sociale belangstelling, d.w.z. zonder het gemeenschapsgevoel, dat spr. gisteravond reeds tot hoofdprincipe van het Leven had verklaard. De beteekenis van het leven is dus voor ieder: iets bij te dragen tot het algemeen welzijn van de medelevensgenooten en voor de toekomst van hen, die na ons komen.

Wat houdt den mensch en vooral het kind af van dit inzicht? Wat belet hen het leven te zien als een vriendelijke uitnoodiging tot medewerken, samenwerken en bijdragen voor het algemeen welzijn?

Het noodlottigst verschijnsel is daar — en hier werd spr. zeer ernstig — wanneer het Leven onmogelijk een vriendelijke uitnoodiging kan heeten. Het kind in oorlogstijd geboren, het kind onder werkeloosheid der ouders lijdend, het rassenvooroordeel dat vervolgde en vervolger beiden treft, de doodstraf enz., zij alle getuigen van een averechtsche levenswaardeering, welke het kindergemoed onmogelijk maken, het Leven te zien als een uitnoodiging. Zij scheppen een levensvijandige levenssfeer. Men vermijde die tot elken prijs (lev. inst.).

Er werden veel vragen gesteld, maar het was te begrijpen, dat spr. zich er een beetje van afmaakte. Veel had hij toch reeds behandeld en veel hing zeer los aan het onderwerp. Als troost verzekerde hij nog, dat ook de kleinste bijdrage van den mensch ten bate van het geheel zeer welkom is; verder dat wellicht het verwende kind diepste oorzaak der huidige wereldellende is en dat vrouwenhaat vermoedelijk in de prille jeugd ontstaat.

* * *

Prof. Adler heeft weer een groot en zeer aandachtig gehoor gehad, dat hem geestdriftig heeft toegejuicht en gedankt. Op hartelijke wijze heeft de voorzitter, prof. van Os den algemeenen dank vertolkt en prof. Adler heeft de hem gebrachte ovatie beloond met een geestigen wensch voor ons aller welzijn en een tot weerziens in voor ons aller gelukkiger omstandigheden.

Bij het weggaan werden wij aangeklampt door een paar bestuursleden der Vereeniging, die de Vereeniging voor Wijsbegeerte nog dank hadden willen brengen voor haar gelukkig initiatief en groote gastvrijheid. Het snelle slot der vergadering had hen in hun voornemen belet. Er bleef ons natuurlijk niets over dan de dankbaren te verwijzen naar ons gastvrije „Ingezonden."


Fuente: «De beteekenis van het Leven en het Droomleven. Lezing van prof. Alfred Adler», Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad, La Haya, jueves 14 de septiembre de 1933, Ochtendblad B, p. 1 (p. 5 del ejemplar digitalizado), rúbrica «Nieuws uit de Residentie», col. 7; sin firma. Transcripción hecha sobre la imagen de la página en Delpher; el OCR de la plataforma, muy defectuoso (el titular sale como «De deteehenis van het Leven»), sirvió solo de orientación. Se conservan la ortografía de la época y las formas del impreso («Hochzeitslied», «gevulde mensch», «(lev. inst.)», abreviatura de levendige instemming). El espaciado se da en cursiva; las líneas compuestas en cursiva por mezcla de tipos no se reproducen. En el último párrafo, «der Vereeniging» queda sin nombre en el impreso.