Opvoeding en Levensmoed.

Het individu in en tegenover de gemeenschap.

VOORDRACHT VAN PROF. ADLER.

Amsterdam, 7 September 1933.

Wat is moed? Dat was de vraag, die prof. Alfred Adler aan het begin van zijn lezing stelde, die hij gisteravond voor een kleinen kring van toehoorders in het gebouw De Lairessestraat 121 hield.

Om duidelijker te maken, wat wij volgens de opvatting van de „Individualpsychologie" onder moed dienen te verstaan, legde hij in het kort het fundament van deze psychologische richting uit.

Het leven van de menschen kan men zich niet voorstellen zonder het idee van de gemeenschap. Menschen, aan wie dit gevoel voor de gemeenschap ontbreekt, zijn als vreemden op de aarde; want juist dit gevoel voor de gemeenschap geeft aan de menschen den levensmoed.

De mensch is van nature een schepsel, dat slechts in de gemeenschap zijn krachten en talenten kan ontplooien, maar jammer genoeg zijn de meeste menschen niet in staat om uit zichzelf dezen weg te gaan. En al deze menschen binden den strijd aan met de gemeenschap. Daardoor worden zij verhinderd, hun eigenlijken levensvorm te vinden en deze levensvorm van den mensch is, zich steeds hooger te ontwikkelen in den zin van de gemeenschap en dit streven naar hooger ontwikkeling noemt prof. Adler „levensmoed".

Alle menschen, aan wie deze levensmoed ontbreekt, probeeren, dit gemis op de een of andere manier te compenseeren. Zij doen hun best om een gevoel van eigenwaarde, zonder welke de mensch nu eenmaal niet kan leven, te verkrijgen. Zij vormen een groep van asociale menschen, die hun geluk gelooven te hebben gevonden, wanneer zij de gemeenschap kunnen tegenwerken. Zij worden — wij noemen hier de uitersten op — misdadigers of morphinisten enz.

Leeken zijn dikwijls van meening, dat juist de misdadigers, die vaak hun leven op het spel zetten, grooten moed bezitten. Prof. Adler echter leverde, van het individualpsychologische standpunt uit beschouwd, het bewijs, dat juist deze menschen laf zijn, omdat zij altijd slachtoffers kiezen, die zij gemakkelijk kunnen overwinnen. Als er geen gevaar bestaat, kan men inderdaad ook moeilijk van moed spreken.

Toch is het noodig, als wij maatschappelijke en geen asociale menschen willen kweeken, dat de kinderen al zoo opgevoed worden, dat zij den wensch hebben, voor de gemeenschap te leven. Er zijn weinig ouders, die daartoe in staat zijn. Daarom is het goed, dat men, als het noodig is, psychologische hulp inroept.

Op vijfjarigen leeftijd is de levenslijn van een kind al vastgelegd. Dan kan een psycholoog dus al beslissen, hoe het kind moet worden opgevoed. In de meeste gevallen is het mogelijk op het kind zulk een invloed uit te oefenen, dat het een bruikbaar lid van de maatschappij wordt.

De therapie moet van zoodanigen aard zijn, dat zij aan het kind het verloren gevoel voor de gemeenschap en daarmede den levensmoed geeft.

De „Individualpsychologie" vertegenwoordigt dus een optimistisch standpunt, maar omdat wij slechts de keuze hebben tusschen optimisme en pessimisme spreekt het vanzelf, dat wij aan het optimisme de voorkeur moeten geven. En dit vooral, omdat wij al hebben ondervonden, dat men met bizonderen therapeutische methodes groote successen kan bereiken.


Fuente: «Opvoeding en Levensmoed. Het individu in en tegenover de gemeenschap. Voordracht van prof. Adler», De Locomotief. Samarangsch handels- en advertentie-blad, Semarang (Java), viernes 6 de octubre de 1933, Derde blad, p. 3 (p. 15 del ejemplar digitalizado), col. 5; sin firma, fechado «Amsterdam, 7 September 1933» (crónica enviada por correo a las Indias Neerlandesas). Transcripción hecha sobre la imagen de la página en Delpher, cotejada con el OCR de la plataforma; el margen derecho de la columna queda algo cortado en la imagen y los finales de línea se completan con el OCR. Se conservan la ortografía de la época y la forma «bizonderen therapeutische methodes» del impreso. Se omiten los artículos vecinos de la página.