JEUGDHERINNERINGEN

Haar beteekenis voor het leven der volwassenen.

VOORDRACHT PROF. DR. A. ADLER.

AMSTERDAM, 4 Juni. — Gisteren heeft prof. dr. Alfred Adler voor de „Vereeniging voor Individualpsychologie” en tal van belangstellenden een voordracht gehouden over het onderwerp „De beteekenis van jeugdherinneringen voor het leven der volwassenen”.

De psycholoog dient de persoonlijkheid als een eenheid te beschouwen — aldus begon spr. zijn betoog. Elke afzonderlijke psychologische factor is n.l. vatbaar voor tal van uitleggingen en kan derhalve alleen worden begrepen onder den gezichtshoek van de persoonlijkheid als totaliteit. Het wezen van een mensch laat zich immers niet bepalen uit een som van afzonderlijke eigenschappen. Deze kunnen pas worden begrepen, als men den levensstijl kent, die zich bij elken mensch in de drie tot vier eerste levensjaren vormt.

Hetzelfde geldt ook voor de jeugdherinneringen. Afzonderlijk beschouwd vormen zij geen karakteristiek kenmerk, terwijl ze voor de persoonlijkheid als geheel belangrijke gevolgtrekkingen veroorloven. Door deze opvatting verschilt de Individualpsychologie van de meeste andere psychologische scholen. Spr. lichtte dit door tal van voorbeelden toe.

Volgens prof. Adler dient de psycholoog daarom het levensrhythme van een mensch te vinden en vervolgens de afzonderlijke feiten te zien in het verband met het geheel, d. w. z. hij moet het individuum zien met al zijn relaties tot het maatschappelijke leven (liefde, vriendschap, arbeid, enz.). Slechts op deze wijze kan men het dynamische principe begrijpen, dat het leven beheerscht.

Ook de jeugdherinneringen moeten onder dezen gezichtshoek worden beschouwd. Zij laten n.l. den psycholoog den levensstijl herkennen, dien het individuum zich heeft gevormd. Zij zijn derhalve de indicator voor het dynamische principe, dat het leven van den mensch beheerscht. Prof. Adler haalde tal van voorbeelden uit zijn groote practijk aan om zijn theoretisch betoog aanschouwelijk te maken.

Uit de eerste jeugdherinneringen blijkt bijv. of de mensch een vertroeteld kind was, of hij van nature actief of passief is, over welken graad van gemeenschapsgevoel hij beschikt, enz.

Vervolgens hield spr. zich bezig met het vraagstuk van de keuze der jeugdherinneringen. Elke mensch vertelt n.l. als men hem er naar vraagt, de herinnering, die karakteristiek is voor zijn levensopvatting. Dit is uit de individual-psychologische practijk steeds weer gebleken. Dit verband tusschen de jeugdherinnering en de levensopvatting is volgens prof. Adler ook de reden, waarom juist deze bepaalde herinnering levend blijft, terwijl andere, misschien belangrijker gebeurtenissen uit de prille jeugd, soms heelemaal worden vergeten of in ieder geval niet meer worden genoemd.

Dit feit levert aan den anderen kant ook weer een bewijs voor de beteekenis van het dynamische principe in het menschelijk leven, daar — om eens een analogie te gebruiken — de gebeurtenissen, die de mensch alleen kan verwerken, slechts krachtvelden achterlaten, die in evenwicht zijn. Deze zijn dus niet meer werkzaam in 't latere leven, terwijl de andere zich ook dan nog doen opmerken, daar ze op de een of andere wijze in evenwicht trachten te komen. De Individualpsychologie blijft dus bij haar onderzoek niet staan bij de ondervindingen, maar dringt door tot 't diepere zieleleven.

Ten slotte behandelde prof. Adler nog jeugdherinneringen, die hem voor dit doel werden voorgelegd. Hij gaf aan de hand hiervan karakterschetsen van de desbetreffende personen, die alle juist bleken te zijn.


Fuente: «Jeugdherinneringen. Haar beteekenis voor het leven der volwassenen. Voordracht prof. dr. A. Adler», De Telegraaf, Ámsterdam, jueves 4 de junio de 1936, Ochtendblad, Derde Blad, p. 5 (p. 9 del ejemplar digitalizado), sin firma. Transcripción hecha sobre la imagen de la página en Delpher (ddd:110577014:mpeg21:p009; artículo ddd:110577014:mpeg21:a0192), cotejada con el OCR de la plataforma, muy defectuoso en este artículo. El espaciado de «Alfred Adler» se da en cursiva. Las palabras partidas a final de línea se unen. La crónica empieza al pie de una columna y sigue en la parte alta de la siguiente.