EEN GESPREK MET PROF. ADLER
ZIJN MEENING OVER HET NATIONALISME
De behoefte aan oorlog
Prof. dr Alfred Adler, de beroemde psycholoog, de stichter en leider der Individualpsychologische school heeft wederom eenige lezingen in ons land gehouden en is Vrijdag hier ter stede als spreker opgetreden.
Ons leek het interessant, professor Adler eens persoonlijk te vragen, òf en zoo ja, hòe hij zijn psychologische en therapeutische leerstellingen meent toe te kunnen passen op het sociale leven, d.w.z. hoe hij de verschillende tendenzen, die hij in het individueele leven heft waargenomen, ook in de sociaal-politieke constellatie van het heden meent op te merken en in welke mate hij de mogelijkheden van het heden van deze tendensen afhankelijk acht.
Professor Adler stond ons te woord met de welwillendheid en gemoedelijkheid, die den echten Weener kenmerken, eigenschappen, die blijkbaar zelfs tegen een langdurig verblijf in de Vereenigde Staten (Adler is sinds eenige jaren hoogleeraar aan het Long Island Medical College te Nieuw York) bestand zijn.
* * *
Professor Adler begon de beantwoording van onze vragen met ons het Individual-psychologische standpunt ten opzichte van den mensch als maatschappelijk wezen toe te lichten: „In de Individualpsychologie speelt het gemeenschapsgevoel een groote rol. Elk kind komt ter wereld met een mogelijkheid tot gemeenschapsgevoel. Deze mogelijkheid neemt in het leven voor het eerst een concreten vorm aan in de verhouding tot de moeder. Hoe deze aangeboren mogelijkheid dan verder tot werkelijk gemeenschapsgevoel ontwikkeld en gecultiveerd wordt, is afhankelijk van invloeden van buiten af, tot welke ook het beleven van eigen lichamelijke kracht of zwakte behoort. De positie, die het kind tenslotte ten opzichte van de levensproblemen inneemt, is het resultaat van den totalen indruk dezer belevingen. Het eindeffect hangt enkel en alleen af van de keuze van het kind, dat zijn creatieve en artistieke talenten toont in het scheppen van een bepaalden eigen levenstijl. In dezen levensstijl blijkt de meest beslissende en kenmerkende factor de qualiteit en de quantiteit van zijn thans eerst werkelijk tot leven gewekt gemeenschapsgevoel te zijn. Als uiterste kunnen wij ons in dit verband twee menschen denken: ten eerste den mensch, die zich in zijn omgeving thuis voelt als mede-arbeider en als medemensch, die voor alle levensproblemen oplossingen weet te vinden, die aanspraak kunnen maken op eeuwigheidswaarde, d.w.z. die zóó zijn, dat ze tot voorspoed der geheele menschheid leiden, omdat ze voor iedereen de juiste zijn. En dan ten tweede, als het andere uiterste, de mensch, wiens gemeenschapsgevoel van jongs af aan onvoldoende gecultiveerd is geworden en die alle levensproblemen op zulk een manier oplost, dat het heil der anderen er door uitgesloten schijnt. Natuurlijk bestaan er in concreto tusschen deze twee uitersten millioenen varianten.
* * *
Hierbij, aldus professor Adler, sluiten nu de door U verlangde beschouwingen van meer sociaal-politieken aard aan: iedere strooming moet op haar minst den schijn wekken, dat ze voor het welzijn der algemeenheid gewild is! Deze omstandigheid wijst op de onschendbaarheid van het aangeboren gemeenschapsgevoel. Het exacte bewijs voor de juistheid van zulk een strooming kan eigenlijk alleen de verre toekomst leveren, daar op den duur alleen zulke prestaties standhouden die een hoogere ontplooiing der menschheid dienen. De kwestie, welke sociaal-politieke strooming de juiste is, wil ik niet aanroeren, de toekomst zelve zal dit zooals gezegd, uitwijzen; ik beschouw het alleen van den wetenschappelijken kant en ik voel mij al volkomen bevredigd, wanneer de verschillende stroomingen de argumenten der Individualpsychologie in aanmerking willen nemen.
* * *
„Hoe is Uw meening over de nationalitische stroomingen?“ vroegen wij professor Adler vervolgens.
„In hoeverre nationalistische stroomingen tot het welzijn der geheele menschheid zullen leiden, hangt af van de hoeveelheid werkelijk gemeenschapsgevoel, dat in hen aanwezig is. Ook hangt het er van af, of deze richting het doel der hoogere ontplooiing van de menschheid wel in het oog heeft gevat. Ieder moet maar dat kiezen, wat hij het juiste acht, men is tot niets verplicht.... maar men moet wel goed overleggen, of de richting, die men wil volgen, ook inderdaad het heil der geheele menschheid tot doel heeft.“
„Gelooft U niet, dat het door U bij uw patienten als bron der conflicten aangetoonde minderwaardigheidscomplex óok bij sommige volkeren te vinden is?“
„Het ‚minderwaardigheidscomplex“ werd door mij in de psychologische wetenschap ingevoerd, om aan te duiden, dat iemand zich niet in staat acht een bepaald probleem, welks oplossing absoluut noodzakelijk is, tot zulk een oplossing te brengen. Daar nu in het levensproces een streven naar overwinning der moeilijkheden geïmpliceerd is, beteekent het minderwaardigheidscomplex en zijn „Stimmungslage“ nooit een rustpunt, maar wordt het overdekt door wat ik een „meerderwaardigheidscomplex“ (Ueberlegenheitskomplex) heb genoemd en dat dus altijd als een minderwaardigheidscomplex op te vatten is! Zoo ontstaan zelfoverschatting, en het streven naar een uiterlijken schijn, dat geen algemeen-nuttige tendenzen meer in zich draagt. Zooiets zou ook bij de volkeren waar te nemen zijn.“
„Hoe denkt U in dit verband over het oorlogsgevaar?“
„Het zou belangrijk zijn te onderzoeken, in hoeverre oorlogsgevaar, werkeloosheid, religieuze en nationale vooroordeelen, de doodstraf, onderdrukkingen van welken aard ook, de ontplooiing van het gemeenschapsgevoel van den enkeling en van de massa in den weg staan. Bij dit alles moet men er wel rekening mee houden, dat het minderwaardigheidscomplex niet verwisseld mag worden met het algemeen menschelijke minderwaardigheidsgevoel, dat voor mij de belangrijkste motor is om de geheele menschheid op een hooger niveau te brengen. Dit is in de geschiedenis der menschheid steeds gebleken zoo te zijn: iedere prestatie begint met „onvoltooide minderwaardigheidsgevoelens“ en zoekt bevrediging in de geslaagde prestatie“.
„Meent U, professor, dat de toestanden van nu toch nog altijd een zeker optimisme rechtvaardigen?“
„Een prestatie veronderstelt in elk geval, dat men aan het gelukkige effect met beslistheid denkt, dat beteekent dus, dat bij iedere prestatie een definitief resultaat behoort en dat dit in een optimistische gezindheid nagestreefd dient te worden. Als je wat tot stand wil brengen, dan moet je ook aan een gelukkige voleinding gelooven.... anders kan je het wel laten — en je zou het toch immers ook wel kunnen laten! Pessimisme is altijd een fout, hoewel men hierbij natuurlijk wel moet bedenken dat iemand, die de onmogelijkheid der oplossing van een bepaald probleem van te voren al inziet, nog geen pessimist is. Ik ben het ten minste niet, wanneer ik beweer, dat we voorloopig nog geen reis naar de maan kunnen maken! De onmogelijkheid van een prestatie kan afhankelijk zijn van aardsche en menschelijke grenzen. Bovendien bevinden we ons op een bepaald moment altijd op een bepaalden trap van onze ontwikkeling en kunnen we nooit vaststellen, dat op dit moment al alle problemen tot een positieve oplossing zijn gebracht. Er zijn vele problemen, wier oplossing tijd noodig heeft en die alleen maar op de juist wijze opgelost worden kunnen door hen, die over een voldoende mate van gemeenschapsgevoel beschikken.“
„Meent U, dat er in dit opzicht essentieele verschillen tusschen Europa en Amerika zijn waar te nemen?“
„De uiterlijke erkenning van het gemeenschapsgevoel schijnt me in Amerika grooter te zijn dan in Europa, ten minste wordt daar de waardigheid van den mensch, van de vrouw en van het kind méér op den voorgrond gesteld — in den verschijningsvorm althans. Bedienden
(Zie vervolg blz. 2 C onderaan)
Een gesprek met prof. Adler
(Vervolg van blz. 1 C)
staan in Amerika op geheel anderen voet met hun superieuren dan in Europa, ook de verhouding op de universiteiten tusschen de studenten en de docenten is een totaal andere, enz., enz.“
* * *
„Meent U ook, dat een behoefte tot oorlog voeren, een vernietigingsdrang of z.g. „Todestrieb“ (Freud) in het onderbewustzijn van den mensch wortelt?“
„De Todestrieb is niets anders dan de wraak van het verwende kind, dat voor een vraagstuk staat, dat hij niet in staat is tot zijn eigen voordeel op te lossen. Dan gaat het bijten en krabben, het rent met zijn hoofd tegen de deur, wenscht te sterven en vindt er een genot in er aan te denken, hoe anderen dan om hem zullen lijden. Verder kan ik U zeggen, dat de Individualpsychologische wetenschap door een geweldigen afgrond gescheiden is van andere psychologische scholen, die b.v. meenen, dat het gebod „Hebt Uw naaste lief“ iets onzinnigs is en die den zin van het leven in den dood zien. De Individualpsychologie vindt bij ieder geval de sporen van het aangeboren gemeenschapsgevoel en toont in de structuur van het leven het onschendbare streven naar actieve overwinning van uiterlijke moeilijkheden aan“.
„Meent U in Europa ook zulk een vertroeteld kind te zien?“
„Niet alleen in Europa! De geheele wereld lijdt er onder, dat de vertroetelde levensstijl met zijn onrechtmatige verwachtingen zonder prestaties en met zijn listig zoeken naar uitvluchten en verontschuldigingen de levensstijl van het meerendeel der menschheid geworden.
„Hoe denkt U over de jeugd?“
„Die is precies zoo traag als de volwassenen. Alle heil kunnen we mijns inziens verwachten van het grooter worden van het gemeenschapsgevoel, iets dat alleen door in dezen zin geschoolde opvoeders tot stand gebracht kan worden. Hun taak is het dan meteen alle misslagen te voorkomen. U ziet, dit is speciaal de taak voor de school — van wie zouden we het anders kunnen verwachten? Alle pogingen, die de welvaart der menschheid nastreven, die niet ’t groepsegoisme bevorderen, maar die gericht zijn op de hoogere ontplooiing der totale menschheid, moeten en zullen ook ten slotte er toe komen, de school tot het instrument van den socialen vooruitgang te maken. Hoeveel tijd er voor noodig is om tot dit inzicht te komen? Dit hangt af van de mate der sociale activiteit en van het aantal harer dragers“.
„Hebben ook de resultaten, die onze tijd in dit opzicht boekt, U niet pessimistisch kunnen stemmen?“
„Neen. Ik beweer zelfs, dat onze tijd dichter bij het ideaal staat dan vorige perioden. De menschheid heeft alleen geleerd door te lijden — als ze niet te lijden had, heeft ze ook niet nagedacht. Naarmate de menschen meer uit te staan hebben, zijn ze genoodzaakt meer hun hersens te gebruiken. Vooral de actieven zoeken dan naar een weg. Zoo schijnen juist zij den vooruitgang der menschheid gestalte te geven, die eerst verdwaald zijn en die, onder zwaar leed gebukt gaande, een beteren weg gezocht hebben. Thans beleven wij zoo’n tijd van leed. Maar deze moeilijke tijd, waarin wij te leven hebben, zal stellig een neiging tot betere cultiveering van het gemeenschapsgevoel tot rijpheid brengen.“
Ted Soesman.
Fuente: «Een gesprek met Prof. Adler. Zijn meening over het nationalisme. De behoefte aan oorlog», Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad, La Haya, domingo 9 de junio de 1935, Ochtendblad C, pp. 1 y 2 (pp. 9 y 10 del ejemplar digitalizado), firmado al final «Ted Soesman». Transcripción hecha sobre las imágenes de las páginas en Delpher (p. 1: ddd:010016013:mpeg21:p009, artículo a0165; continuación en la p. 2: ddd:010016013:mpeg21:p010, artículo a0168, «Een gesprek met prof. Adler (Vervolg van blz. 1 C)»), cotejada con el OCR de la plataforma. Se conservan la ortografía de la época y las erratas del impreso («heft» por «heeft», «nationalitische», «de juist wijze», «dat hij» referido a «het kind»); el espaciado de «mogelijkheid», «keuze», «minder-», «gevoel» y «voorkomen» se da en cursiva. En el impreso falta el verbo final («is») en «de levensstijl van het meerendeel der menschheid geworden» y no se cierran las comillas de esa respuesta. Las palabras partidas a final de línea se unen.