PERSOONLIJKHEIDSPSYCHOLOGIE
AANKWEEKING VAN DEN GEMEENSCHAPSZIN
Lezing van Prof. Adler uit Weenen voor het Utrechtsch Studentencorps
Doel en taak
De bekende hoogleeraar, prof. dr. A. Adler, uit Weenen, heeft gisteravond voor de leden van de medische faculteit van het Utrechtsch Studentencorps in de collegezaal van prof. Hijmans van den Berg te Utrecht een voordracht gehouden over „Bijdragen van de persoonlijkheidspsychologie (Individual-psychologie) tot de psychologie en de psychiatrie." Daaraan ontleenen wij het volgende:
Prof. Adler, die op doorreis uit Amerika ons land bezoekt, wees op het feit dat de psychologie overal haar weg gevonden heeft en het aantal patiënten, die psychische behandeling noodig heeft, zeer groot is. Daarom moet elke arts op het gebied van de geneeskundige psychologie goed geschoold zijn. Ofschoon spr. geen „school" voorstaat, is hij niettemin van meening dat de „persoonlijkheidspsychologie" het best gefundeerd is. Vooral op de groeiende geest van het kind hebben indrukken van minder waardige orgaanstelsels bepaald blijvenden invloed. Neurosen en crimineele trekken kunnen daarop vaak teruggebracht worden. Kretschmer bracht de zaak verder en vond ook dergelijke „orgaanminderwaardigheden" als grondslag voor bepaalde psychosen.
Het was niet gemakkelijk de aard van de wisselwerking tusschen lichamelijke functies en geestelijke eigenschappen te benaderen. Als tusschenschakel heeft men aanvankelijk aan de interne secretie gedacht. De hoofdtaak van de persoonlijkheidspsychologie is het tot stand komen van functioneele neurosen en psycho-neurosen nader te onderzoeken. Voorstellingen van wat men onder „zieleleven" moet verstaan zijn hier onmisbaar, zoo ook het aannemen van een leidende transcendente idee. We zijn hier op metaphysisch gebied en hebben te doen met een deel van het levensproces. Niet het streven naar zelfbehoud, maar naar actieve aanpassing aan de buitenwereld met een drang, naar hoogere ontwikkelingszekerheid staat hier op den voorgrond. Dit is geen statisch maar een dynamisch probleem: alles is een stroom, een beweging, die een doel veronderstelt. Dat doel moet aan aanpassing zijn (finalisme in de moderne psychologie) niet een „oorzaak" maar een „doel" is hier het determineerende element. Alle inwerking van milieu en aanleg kunnen wel invloed uitoefenen maar doel en richting van het zieleleven niet bepalen! De scheppende functie van het zieleleven is dus een deel van het evolutionaire levensproces. Overal moet het richtinggevende doel gezocht worden. Vindt men het dan kent men de individualiteit. In alle „uitdrukkingsbewegingen" van lichaam en ziel vindt men deze onverbrekelijke totaliteit terug. Dat is geen vrome wensch voor den persoonlijkheidspsycholoog maar taak. Voorloopig moet men met typen werken, maar dat is slechts een hulpmiddel om het individueele nooit terugkeerende te vinden. Spreker noemt een aantal van dergelijke typen, bijv. uitbuiters, bijv. personen die alle problemen onopgelost laten en zet uiteen hoe men zich rekenschap kan geven van de wijze waarop een bepaalde persoon een bepaald type benadert en tracht te benaderen. Van blijvende waarde is hetgeen ieder individu bijdraagt tot bevordering van het welslagen der menschheid. Misslagen berusten op gebrek aan sociale interesse en dus aan gemeenschapszin. Een maatstaf voor de individualiteit is het vermogen in eenig opzicht de ontwikkeling van de gemeenschap te bevorderen. Als toetsteen fungeeren minderwaardigheidsgevoelens als rem. Die gevoelens geven aanleiding tot een psychische spanning die zich nu eens in lichamelijk verschijnselen (in verschillende orgaanstelsels) dan weer in geestelijke verschijnselen (dwanghandelingen, phobieën, angsten, enz.) openbaren. Migraine, trigeminus-neuralgie, dysmenorrhoe, enz. hebben meestal geen organischen ondergrond maar rusten op een dergelijk psychisch mechanisme. Al die schock-symptomen beteekenen echter nog geen neurose. Dergelijke schock-verschijnselen vormen voor vele menschen een verlichting, ze vergemakkelijken den terugweg voor een onoverwinnelijke moeilijkheid die met nederlaaglijden dreigt. Zoo lang men den patiënt toestaat naar zijn verschijnselen te blijven kijken en het doel uit het oog te verliezen, blijft hij ziek. Alle levensproblemen vereischen medewerking, gemeenschapszin verbinding tusschen menschen, houding tot het beroep, de liefde der geslachten). Een neurose is het gebruik maken van de schock-verschijnselen om de vervulling en oplossing van de levensvragen te ontwijken. Chronische schock-verschijnselen zijn het resultaat van gebrek aan gemeenschapszin.
Bij de behandeling van alle nerveuze en neurotische verschijnsleen, die alle een uitgesproken individueel karakter dragen moet men de lichamelijke en geestelijke minderwaardigheid der patiënten niet uit het oog verliezen. Daarbij moet men oppassen lichamelijke afwijkingen niet over het hoofd te zien. Ontleding van al die verschijnselen en mengsels van verschijnselen blijft steeds bijzonder moeilijk. Allerlei capaciteiten van den geest moet men trachten te onderkennen met al zijn variaties en combinaties van „uitdrukkingsbewegingen". Op deze wijze heeft de persoonlijkheidspsychologie vele psychologische en psychiatrische vraagstukken in een nieuw licht gesteld.
Verwende kinderen, die hun heele leven er steeds weer naar streven verwend te worden nemen onder de mislukkingen een zeer belangrijke plaats in. Beter inzicht in de neurosen op dezen grondslag krijgt men bij bestudeering van de ontwikkeling van verwende kinderen. Reeds in de wijze waarop het kind uit zijn tallooze indrukken bepaalde uitzoekt kan men een weerspiegeling vinden van de toekomstige persoonlijkheid. Bij navraag naar de vroegste jeugd-herinneringen komt hetzelfde tot uiting zoo geeft de individueel-psychologische methode talrijke mogelijkheden om de persoonlijkheid te benaderen. Ook bij vergelijking van een groot materiaal aan eenige kinderen of eerstgeborenen, tweedekinderen enz. kan men allerlei karaktertrekken verklaren. De tweede tracht bijv. altijd de eerstgeborene te overheerschen (men vind het reeds in den Bijbel bij Abel en Kaïn, bij Ezau en Jacob), de jongste heeft altijd een slechte positie. De menschheid heeft altijd meer geweten, dan begrepen. Er zijn trouwens tal van dingen die wij weten, maar nooit zullen kunnen begrijpen.
Ontwikkelingsmogelijkheden zijn aangeboren, de karaktertrekken als zoodanig niet. Voor de opvoeding geeft deze opvatting nieuw perspectief.
Nog een belangrijke bijdrage van de persoonlijkheidspsychologie is de verklaring van de droom. De droom is even zeer als het wakkerzijn een levensvariant. Ook in den droom openbaart zich het individueele gebrekkige levensdoel van den betrokkene.
Dat ziet men zoowel bij normale menschen als bij neuroselijders zooals spr. nader uiteenzet. Gevoelens en emoties worden in den droom kunstmatig versterkt om doen en laten in een bepaalde richting — overeenkomstig het levensdoel van den desbetreffenden persoon dienstbaar te zijn. Zoo maken we ons een voorstelling van den afloop dezer geestelijke processen.
Juist door de situatie ook voor den patiënt begrijpelijk te maken is de persoonlijkheidspsycholoog in staat menige patiënt over de moeilijkheden heen te helpen en die te doen overwinnen. Gemeenschapszin in voorloopig niet zooals ademhalen enz., denkbaar zonder denken. Die zin te kweeken en te ontwikkelen blijft dus het doel en de taak der persoonlijkheidspsychologie. De behoefte daaraan is groot omdat minderwaardige organen, verwenning vooral en tenslotte de meer zeldzame verwaarloozing aan de ontplooiing van gemeenschapszin bij vele kinderen in den weg staan.
In het latere leven is dat slechts bezwaarlijk in te halen. Paedagogie en psychotherapie wordt hier een even moeilijke als belangrijke taak.
Fuente: «Persoonlijkheidspsychologie. Aankweeking van den gemeenschapszin. Lezing van Prof. Adler uit Weenen voor het Utrechtsch Studentencorps. Doel en taak», Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad, Utrecht, 23 de mayo de 1933, p. 11, cols. 1-2; sin firma. Transcripción hecha sobre la imagen de la página en Delpher (MMUTRA04:253244087:mpeg21:p00011; artículo a00116); el OCR de la plataforma, muy defectuoso, sirvió solo de orientación. La conferencia fue la noche del lunes 22 de mayo de 1933. Se conservan la ortografía de la época y las erratas del impreso («verschijnsleen», «lichamelijk verschijnselen», «men vind», «in voorloopig» por «is voorloopig», el paréntesis que se cierra sin abrirse tras «levensproblemen vereischen medewerking»). Se omiten los artículos vecinos de la página.