---
Title: De positie van het kind in het gezin en in de school
Description: Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad, Den Haag, zondag 28 mei 1933, Ochtendblad, blz. 1. Ongeteekend verslag van de lezing van prof. dr. Alfred Adler over de positie van het kind in het gezin en in de school, voor de Stichting voor Kinderstudie in de aula van het Nederlandsch Lyceum te Den Haag, op 27 mei 1933, ingeleid door A. Rienks: de drie levensvraagstukken, de moeder en het gemeenschapsgevoel, het verwende kind, de school als testproef, linkshandigheid.
Author: Periodista sin firma
URL: https://adler.school/archivo/adler/cronicas/original/1933-05-28%20De%20positie%20van%20het%20kind%20in%20het%20gezin%20en%20in%20de%20school
---


<!-- blz. 1 -->

# DE POSITIE VAN HET KIND IN HET GEZIN EN IN DE SCHOOL

## *Het belangrijkste is de opvoeding van het kind tot medemensch*

### De tragedie van het verwende kind

In een zoo druk bezochte vergadering van de Stichting voor Kinderstudie, dat de aula van het Ned. Lyceum geheel gevuld was, heeft prof. dr Alfred Adler gisteravond gesproken over de positie van het kind in het gezin en in de school. De heer A. Rienks, raad-adviseur van het Dep. van Onderwijs, heeft hem ingeleid met een hartelijk woord van welkom. Prof. *Adler* uitte de meening, dat deze tijd meer nog dan eenige andere, behoefte heeft aan bewuste paedagogie. Wat heeft een mensch op deze wereld eigenlijk te presteeren om als verstandig beschouwd te worden? Den arbeid van de vereeuwiging van het menschengeslacht waarborgen. Met de uitvinding van de verdeeling van arbeid is een deel van het vraagstuk opgelost. Door traditie, techniek, spel, scholing, enz., is het kind voorbereid voor den arbeid, het beroep. Te velen moeten echter zonder arbeid door het leven gaan. Het tweede vraagstuk is de betrekking tot den medemensch. Dat is wellicht het allerbelangrijkste. De eene mensch kan nu eenmaal niet zonder den anderen; elke theorie welke dit bestrijdt of uit den weg wil gaan, is onjuist. Het gemeenschapsgevoel is den mensch aangeboren. Het is een functie welke op ontwikkeling wacht. En door begrip moet deze quaestie uitgemaakt worden, want in onze gecompliceerde cultuur is men niet meer tevreden met dat wat men door een woord aanduidt, zonder verdere ontwikkeling.

Het derde vraagstuk komt uit 't feit, dat we uit twee geslachten stammen. Lichamelijk gebrekkigen hebben vaak der menschheid het beste gebracht. Van de bloedmenging weet men nog zoogoed als niets, maar de natuur werkt door en heeft tot dusver niet slecht gearbeid.

Het kind moet dus worden opgevoerd tot drie vraagstukken. De verhouding van het ik tot het gij zit in de beroepsquaestie. Een kind vindt in 't leven slechts wat anderen voor hem hebben bijgedragen — dat zijn de sporen van ontwikkeling van menschen die iets hebben bijgedragen tot verzekering van de menschelijke ontwikkeling. Deze bijdragen hebben eeuwigheidswaarde; de geest dier menschen leeft onder ons en wij leven er mede. De Kaïnsepoche welke men overwonnen dacht, duikt toch telkens weer op. Van de menschen, die niets hebben bijgedragen, is niets gebleven in de ontwikkeling van het algemeen. Ze zijn verdreven, uitgeroeid; menschen, families, volken, rassen.

Het kind moet dus worden opgevoed tot mede-arbeider, tot het worden van een mede mensch. Daar hebben de bijdragen onzer voorvaders ook al weer voor gezorgd. 't Kind bij de geboorte zoekt de aansluiting welke het van de natuur van de moeder uit geboden is. Dat is geen kannibalisme maar coöperatie, en elk van beiden levert zijn noodwendige bijdrage.

Het sociale interesse is in de eerste plaats in de hand der moeder gelegd; zij staat aan de poort van 't gemeenschapsgevoel. Zij is het eerste wezen, dat het kind als een du beleeft, en moet het kind op geschikte wijze brengen tot medeleven, n.l. door kameraadschappelijke leiding, welke het kind haar leven doet verfraaien en niet verwarren. Slaagt de moeder niet, dan zal het kind de aansluiting missen. Hoe dan ook maakt de moeder het latente gemeenschapsgevoel levend — volkomen verwaarloozing sinds de geboorte, daarvan heeft Adler bij al zijn onderzoekingen niet één geval gehad.

Het verwennen der kinderen veroorzaakt groote ellende. Het kind is veel te veel gebonden aan de moeder en beschouwt de rest der wereld als vijand. 't Is geen sexueele band maar een sociale. 't Kind groeit op als een parasiet en wil met geen andere situatie dan die met zijn moeder ruilen. Die kinderen worden menschen, die altijd alles van anderen verwachten en van 't leven alles willen hebben, zonder zelf iets te geven. Ze willen slechts nemen, kunnen niets geven.

Inderdaad 't belangrijkste in de opvoeding is het kind tot medemensch te maken. Geweten hebben de menschen de beteekenis van het gemeenschapsgevoel steeds. In alle religies vindt men het. Is men tot dusver niet geslaagd, dan moet er nog iets bijkomen, het begrip. Al onze levensvraagstukken hebben een structuur, welke er op duidt, dat ze zonder het gemeenschapsgevoel niet zijn op te lossen. Ze zijn dus testproeven.

Een kind dat meer bij den vader dan bij de moeder is aangesloten, verkeert in zijn tweede faze; 't nader tot de moeder staan van de jongens en tot den vader van de meisjes, heeft geen sexueelen ondergrond. 't Zit in de natuur van den jongen zachter te zijn jegens meisjes dan jegens jongens en dat heeft de vader nog niet verleerd. En de moeder schiet beter op met de jongens, doordat in velen harer nog leeft de opvatting, dat jongens te verkiezen zijn boven meisjes.

Het verwende kind is slechts voorbereid voor één situatie (waarin de moeder voorhanden is) en zal daardoor niets zijn, waarvoor eigen prestatie vereischte is. 't Gilde dezer kinderen is ongewoon groot. De school treedt voor dit kind op als testproef, doordat ze medewerken eischt (de psychische ontwikkeling van het kind in zijn kleuterperiode is nog maar weinig bekend — we verkeeren in den tijd van „het vergeten kind"); bij 'n kind, dat iemand niet aankijkt, dat altijd naar den grond kijkt of langs den ander, bestaat weinig of geen gemeenschapsgevoel. Die verwende kinderen zijn steeds angstig, hebben geen moed en zijn in allerlei opzichten lastig. De moeders hebben dag en nacht met zulke kinderen te stellen; hier bewijst zich 't gebrek aan medewerken. Allerlei slechte eigenschappen: haatgevoel, gierigheid e.d. ontwikkelen zich bij dergelijke kinderen, die anderen slechts als uitbuitingsobject beschouwen en zoo ook vaak tot misdadige handelingen vervallen. Ook kinderen, die liegen e.d. zijn kinderen, die niet tot gemeenschapsgevoel zijn opgevoed.

Kinderen, die niet tot gemeenschapsgevoel zijn opgevoed, verdragen de komst van een nieuw broertje of zusje heel slecht. Vaak schijnt de moeilijke opvoedbaarheid bij dit punt te beginnen. Daar komt bij, dat 't verwende kind heel makkelijk te verleiden is, in tegenstelling met een kind, dat medewerker is geworden en zonder 't te weten 't gemeenschapsgevoel in zich heeft. 'n Sterker Triebleben heeft het verwende kind niet, 't is enkel van den beginne af aan gewoon alles te krijgen wat 't wil hebben. Op school falen ze niet uit intelligentietekort, doch doordat ze niet warm gemaakt worden. Den eersten dag kan men 't kind al aanzien of 't voor een school al of niet is voorbereid. Dergelijke kinderen falen in 't leven geheel, al hebben ze de school ook met succes doorloopen; wat komt, doordat zich dan niemand meer voor hen interesseert.

Wij moeten hebben een generatie, welke niet alleen de aannemelijkheden des levens wil, maar ook de onaannemelijkheden, omdat ze weet, dat men die moet oplossen om het leven verder te brengen. Daarom mag geen kind in de school ontmoedigd worden. De opgroeiende generatie moet overtuigd worden, dat alle prestaties, welke niet gericht zijn op medewerken en welzijn der menschheid, lafheid zijn en dat er geen greintje moed in steekt. Dat zou heel wat misdaden voorkomen, want vrijwel geen mensch wil den smaad op zich laten zitten, dat hij een lafaard is.

Een enkel woord wijdde prof. Adler aan het gebrekkige en het verwaarloosde kind, die heel moeilijk tot medewerken zijn op te voeden. Ze hebben niet meegekregen wat er toe behoort. Bij eenige ziekten, roodvonk, kinkhoest, encephalitis, wordt het kind zoo verwend, dat 't na herstel veel lastiger is dan te voren.

De komst op de bewaarschool, op de gewone school, later de intrede in het leven zijn tests; zoo ook de puberteit.

In het schoolleven speelt de linkshandigheid een groote rol. Circa 40 pct. der menschheid is linkshandig; van dezen weten 5 pct. slechts het zelf. Deze linkshandige kinderen leven in een rechtshandige wereld, waarvoor ze niet zijn voorbereid en bieden 't beeld van onhandige kinderen. Ze hebben behalve bij 't schrijven, ook moeilijkheden met 't lezen, omdat ze verkeerd spellen, t.w. van rechts naar links. Deze kinderen worden vaak lastig in 't oogenblik, dat hun rechterhand actief moet worden en dat is een test. Hebben ze gemeenschapsgevoel, dan ontwikkelen ze die rechterhand zoodanig, dat ze veel beter wordt dan die der rechtshandigen en teekenen meestal uitstekend.

De menschheid beter te maken zal niet lukken zoo men er niet in slaagt de kinderen tot medewerkers te maken.

De heer Rienks heeft prof. Adler, die voor hij weer naar Amerika vertrekt, in September weder in ons land denkt te komen, onder veel bijval dank gebracht.

---

*Fuente:* «De positie van het kind in het gezin en in de school. Het belangrijkste is de opvoeding van het kind tot medemensch. De tragedie van het verwende kind», *Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad*, La Haya, domingo 28 de mayo de 1933, Ochtendblad, p. 1, col. 3, continuación en la col. 4; sin firma. Transcripción hecha sobre la imagen de la página en Delpher, cotejada con el OCR de la plataforma (muy defectuoso en el titular: «Bet belongrykste», «medemenseh», «net verwende Kind»). La conferencia fue la noche del sábado 27 de mayo de 1933. Se conservan la ortografía de la época y las formas del impreso («opgevoerd» por «opgevoed», «mede mensch», «'t Gilde»); las líneas y fragmentos de línea compuestos en cursiva en el cuerpo del texto se deben a mezcla de tipos en la composición y no marcan énfasis, por lo que no se reproducen; el espaciado de «Adler» se da en cursiva. Se omiten los artículos vecinos de la página.
