---
Title: Aanleg, erfelijkheid of milieu?
Description: Algemeen Handelsblad, Amsterdam, zaterdag 20 mei 1933, Avondblad, Derde blad, blz. 10 (rubriek «Wetenschap»). Ongeteekend verslag van de voordracht van prof. dr. Alfred Adler voor den «Psychologische Studiekring» in Maison Boer te Amsterdam, op vrijdagavond 19 mei 1933, ingeleid door J. B. Meyer: erfelijkheid en orgaanminderwaardigheid, de plaats in het gezin, de scheppende kracht van het kind, het levensdoel, het gemeenschapsgevoel.
Author: Periodista sin firma
URL: https://adler.school/archivo/adler/cronicas/original/1933-05-20%20Aanleg%2C%20erfelijkheid%20of%20milieu
---


<!-- blz. 10 -->

WETENSCHAP.

# AANLEG, ERFELIJKHEID OF MILIEU?

## Voordracht van prof. dr. Alfred Adler.

Gisterenavond sprak prof. dr. Adler, ingeleid door den heer J. B. Meyer, voor den kortgeleden opgerichten „Psychologische Studiekring" in Maison Boer te Amsterdam over de vraag, wat het wezen der menschelijke persoonlijkheid bepaalt: aanleg, herditaire eigenschappen of het milieu. Veelal neemt men aan, dat de voorwaarden voor de wording der persoonlijkheid erfelijke eigenschappen en milieu zijn en het Amerikaansche „behaviorisme", dat de gedragingen der menschen bestudeert is feitelijk milieutheorie, daar het de wijze nagaat, waarop het individu reageert op zijn omgeving.

De psychoanalyse en de daaruit voortgekomen leer van Jung berusten op heriditaire basis. De Individualpsychologie heeft het vraagstuk der erfelijkheid ook onder de oogen gezien; spr. heeft het behandeld in zijn in 1907 verschenen studie over „Heridität und Organminderwertigkeit".

De heriditeit leert, dat er varianten onder de menschen voorkomen en dergelijke varianten, die zich onderscheiden van de meerderheid, kunnen zich richten naar bereidheid tot het vervallen in ziekte, maar ook tot vergroot aanpassingsvermogen aan de levensvoorwaarden.

De varianten, de menschen met van den norm afwijkenden aanleg, verdienen belangstelling. Spr. wijst erop, dat zoovele groote schilders oogdefecten hebben: die onvolwaardige oogen zijn een variant, die in deze gevallen leiden tot verhoogde orgaanfunctie. Na nog meer voorbeelden van orgaanminderwaardigheid die tot verhoogde prestatie voert te hebben gegeven, zegt spr., dat tal van linkshandigen méér met hun rechterhand kunnen doen, dan rechtshandigen. Men moet goed voor oogen houden, dat een heriditaire eigenschap niet de geheele persoonlijkheid is, het komt er maar op aan, wat het individu met die eigenschap doet, oefenen of verwaarloozen.

Prof. Adler wijst dan op den gemeenschappelijken trek, dien men aantreft bij vele eerstgeborenen, die immers allen eenigen tijd eenig kind zijn geweest en zich, als er een ander kind komt, naar het tweede plan verwezen zien. Dat keerpunt in het leven maakt een geweldigen indruk op het oudste kind, dat zijn geheele leven door vreest, weer eens te zullen worden onttroond. Hoe het de eerstgeborenen dat uiten is individueel verschillend. Voorts wijst spr. op het tweede kind, dat wedijveren wil met het oudste en op het jongste kind, dat zich gedrukt gevoelt door de andere kinderen. Het jongste kind gevoelt daardoor, groot geworden de behoefte de meest geweldige vertegenwoordiger van het gezin te zijn, soms in het goede, maar ook wel eens in het kwade.

Spr. zegt, dat ieder individu een éénmalige, nooit wederkeerende verschijning is en daarom is het zoo onlogisch dat men met alle geweld eenheid zoekt, het komt veel meer aan op de verschillen onder de menschen, dan op het normgevende. Merkwaardig noemt spr. in dit verband de studie van eenige tweelingen, waarbij men zich afslooft, om gelijkheid te vinden. Zelfs verwacht men misschien, dat dergelijke tweelingen op hetzelfde oogenblik in verschillende deelen der stad beide onder een auto zullen geraken.

Zoodra men gaat speuren naar erfelijke eigenschappen, moet men zich misrekenen, daar in het leven van het kind, dadelijk na de geboorte, de moeder al een rol meespeelt. Menigmaal wordt voor een heriditair verschijnsel aangezien wat niets anders is dan een overgenomen voorbeeld van vader of moeder. Zelfs als een jongen zijn vader nooit gekend heeft, kan men zich bv. uit dezelfde houding bij het loopen nog niet op erfelijkheid beroepen: het is b.v. bekend, dat kleine menschen er naar streven, zoo recht mogelijk te loopen, dat lange menschen neiging hebben, gebogen te gaan.

Als men erfelijkheid van psychische kenmerken aanneemt, dan moet men gelooven aan stilstand der evolutie, het leven biedt immers telkens nieuwe problemen en we weten dat leven is voortbewegen, evolutie.

Tot de vraag komende of de omgeving overheerschenden invloed op de persoonlijkheid heeft, zegt prof. Adler, dat we allen weten — en de experimenteele psychologie heeft dat nog eens uitdrukkelijk laten zien — dat de een zus, de ander zoo op hetzelfde milieu reageert. Steeds geeft de individueele opvatting van het kind den doorslag. De persoonlijke opvatting van het kind is het voornaamste en nu kan men wel zeggen, dat die opvatting heriditair is, maar die is in werkelijkheid nooit te berekenen. Die is te zoeken in de scheppende kracht van het kind, zoo leert het de Individualpsychologie. Elk kind zweeft vaag een ideaal van levensvolkomenheid voor den geest, hetzij dat ideaal is, om alle moeilijkheden te overwinnen, hetzij ze alle te ontgaan, elk leven is gericht op een doel, voor den een is het, alle menschen aan zich dienstbaar te maken, voor een ander alle vragen onopgelost te laten, voor een derde, alle menschen in zijn omgeving gelukkig te maken. Tot welke groep iemand behoort kan gegist worden, als we letten op de bewegingen, de gedragingen der menschen. Uit heriditeit of milieu kan men, daar die gegevens onveranderlijke zijn, niets nieuws leeren, dat kan alleen, door te raden waarheen het individu streeft. Hier grenst de Individualpsychologie aan de metaphysica. Door ervaring moet men zich overtuigen of het raden juist geweest is.

Opvoedkundige maatregelen willen het kind wel eens dwarsboomen in het bereiken van wat het als zijn ideaal gevoelt, maar die zullen zonder beteekenis zijn, als het kind ze niet begrijpt wat hun doel betreft, of als het ze niet wil aanvaarden. Opvoeden komt dus neer op het acht geven op de maatregelen, die het kind kan accepteeren.

Voor heriditeit is in de opvoeding geen plaats meer en evenmin voor de vraag naar het milieu. Het komt er maar op aan, welken aanleg het kind heeft, hoe het zijn levensdoel tracht te bereiken. Spr. geeft een voorbeeld van een meisje van 15 jaar uit een armelijk maar deugzaam gezin, waarin het kind, doordat de vader en de broer ziek waren, geen liefde genoeg kon krijgen van haar moeder, en toen de zieken beter waren kwam er een zusje, dat de genegenheid der moeder noodig had en kreeg. Om de steeds ontbeerde levenswarmte te krijgen ging ze met een man mee en was toen geestelijk verslagen. Men zou zeggen, dat de eenige uitweg die haar restte was, een eind aan haar leven te maken, maar de individueele opvatting van het intelligente kind liet een andere mogelijkheid open: ze ging naar het ouderlijk huis terug.

Alle streven in het leven is gericht naar een doel en dat streven is hetzelfde, dat in de biologie evolutie wordt genoemd. De sterken, die met den stroom mee kunnen, gaan mee, de zwakken worden terzijde gedrukt. Zou het niet een noodzakelijkheid zijn, vraagt spr., dat door vermenging van rassen de sterkte der individuën, der species mede, vergroot wordt? Hoe noodig dit is toont spr. aan door te wijzen op zuivere rassen zooals de Indianen, die als ze tbc. krijgen onherroepelijk te gronde gaan. Dit geldt ook voor andere infectieziekten. Niet-gemengde rassen gaan daaraan ten gronde, de gemengde overleven die.

Het eerste doel van het leven op aarde kan geen ander geweest zijn, toen het ontstond, dan zich te handhaven, niet onder te gaan en die actieve aanpassing werkt nog steeds door in individu en soort.

Tenslotte handelt spr. over het gemeenschapsgevoel en de beteekenis daarvan voor de evolutie van den mensch. Tot nu toe is dat gevoel niet in voldoende mate ontwikkeld, maar onbewust is naar de ontwikkeling daarvan door alle eeuwen heen het streven der menschen geweest, al hebben ze het niet steeds begrepen.

Er zal een tijd komen en spr. hoopt, dat dit nabij zal zijn, dat geen redeneering, geen inzicht noodig is voor het tot uiting doen komen van dat gevoel, maar dat het zich even automatisch doet kennen als de ademhaling. (*Applaus.*).

---

*Fuente:* «Aanleg, erfelijkheid of milieu? Voordracht van prof. dr. Alfred Adler», *Algemeen Handelsblad*, Ámsterdam, sábado 20 de mayo de 1933, Avondblad, Derde blad, p. 10 (rúbrica «Wetenschap»), cols. 1-2; sin firma. Transcripción hecha sobre la imagen de la página en Delpher (ddd:010663236:mpeg21:p010; artículo ddd:010663236:mpeg21:a0197), cotejada con el OCR de la plataforma, cuyas confusiones (ij/y, «zioh», etc.) se corrigen; la división en párrafos sigue la imagen. Se conservan la ortografía de la época y las formas del impreso («herditaire» junto a «heriditaire», «heriditeit», «Heridität» por *Heredität*); el espaciado de «Applaus» se da en cursiva. El título del estudio de 1907 que cita el periódico corresponde a la *Studie über Minderwertigkeit von Organen*. Otra crónica de la misma conferencia apareció en *De Telegraaf* del mismo día. Se omiten los artículos vecinos de la página.
